Judith Smals
Diverse

Wijnhandel in de 17de Eeuw

De stijgende koopkracht zorgde ervoor dat in de vineuze horizon in de 17de eeuw werd verbreed: nieuwe wijnlanden en -regio’s werden aangeboord, zoals de Loire, Spanje en Portugal

De 17e eeuw was voor de Nederlanden een periode van bloeiende overzeese handel, stijgende koopkracht, expansiedrift en vlijtige ondernemersgeest. Het ging goed met de economie en de rijkdom steeg. Voor kostbare producten als specerijen, suiker en zuidvruchten was er letterlijk markt. Het is dan ook niet toevallig dat de handel in wijn, destijds zeker ook een luxeproduct, een boost kreeg. De vineuze horizon werd verbreed en nieuwe wijnlanden en -regio’s werden aangeboord, zoals Bordeaux, Loire, Spanje en Portugal.

Tot en met de 17e eeuw werd er in Nederland nauwelijks wijn geproduceerd. Veel Nederlanders waren er wel dol op, dus het land was afhankelijk van import. Door zich te bemoeien met de aanleg van wijngaarden in onder meer Frankrijk hebben de Hollanders in de 17e eeuw indirect een belangrijke rol gespeeld in ontwikkeling van de wijnbouw.

Zoals ook beschreven in het artikel Wijn en IJdelheid in de Gouden Eeuw (DM.Vino 6 januari 2020, herlees) was het in de Gouden Eeuw vooral zoete witte wijn die in de Lage Landen werd gedronken en dan alleen door mensen met een dikke portemonnee. Zij waren immers de enigen die het zich konden permitteren. Het aanbod was in die tijd nog beperkt en wat er was, kwam voornamelijk uit Frankrijk en Duitsland.

Stapelmarkten en wijnkwartieren
Allereerst iets over de plekken in Nederland waar de invoer en de handel in wijn plaatsvond, de zogenaamde ‘wijnstapelmarkten’. De invoer van wijnen uit Duitsland, Frankrijk en landen rond de Middellandse Zee verliep tot het einde van de 16e eeuw via Dordrecht, Nijmegen en Middelburg. Eeuwenlang had Dordrecht stapelrechten en was het the place to be om wijn te verhandelen. Het hoogtepunt van ‘Dordt’ lag in de 14e eeuw, maar tot de 17e eeuw bleef de stad erg actief. Lange tijd was de handel in wijn voor Dordrecht de belangrijkste bron van inkomsten. De Wijnstraat is nog een van de vele stenen getuigenissen van het rijke wijnverleden van de stad. Een van de sleutelfiguren was wijnhandelaar Matthijs Berck, die al vroeg doorhad wat de regio’s Pauillac en Sauternes te bieden hadden.

In de 17e eeuw werd de rol van belangrijkste wijnstapelplaats overgenomen door Rotterdam en Amsterdam. Niet alleen vanwege hun gunstige ligging, maar ook door hun goede verbindingen overzees en met het achterland groeiden deze steden uit tot de belangrijkste handelssteden, die de 17e eeuw tot Gouden Eeuw maakten. Rotterdam deed vooral zaken met Nantes (uitvoerhaven voor de Loire-vallei); Amsterdammers streken voornamelijk neer in Bordeaux.

Schepen volgeladen met vaten wijn kwamen de Amsterdamse en Rotterdamse havens binnen. De wijn werd daar opgeslagen (‘gestapeld’) en vervolgens doorverhandeld naar landen rond de Oostzee. Dit had uiteraard ook impact op de stedelijke inrichting. In Rotterdam verrees destijds in no time een ‘wijnstadskwartier’ met Wijnhaven, Wijnstraat en Wijnkade. Gebouwen kregen welluidende namen als De Bloeijende Wijngaert, ‘t Vergulde Wijnvat en De Rijpe Druijf.

In Amsterdam getuigen de vele pakhuizen langs de grachten nog van de prominente rol die de stad als stapelplaats in de 17e eeuw innam. Voor wie de stad een beetje kent: de Brouwersgracht is een mooi voorbeeld. De Hollanders behielden hun voorsprong in de wijnhandel tot in de 18e eeuw. Daarna werden meer landen actief in de wijnbusiness. Overigens was wijn niet het enige culinaire product dat op grote schaal werd verhandeld; daarnaast werden ook olie, zuidvruchten en zout uit Italië, Spanje en Portugal geïmporteerd.

Moezelwijn aangelengd met Barsac
Rijnwijn was de zoete witte wijn die de rijkelui in Nederland dronken. De wijn, die nog steeds verkrijgbaar is, was afkomstig van gebieden gelegen aan de Duitse Rijn. Wijn op zich was al voor de elite en Rijnwijn was ook nog eens behoorlijk prijzig, dus je kan je voorstellen dat het slechts een beperkt clubje mensen was gegund om deze wijn te savoureren. De rest van de bevolking (kinderen incluis) dronk voornamelijk bier, niet in de laatste plaats omdat dit schoner was dan water.
Het is lastig om te zeggen hoeveel wijn er in die tijd geconsumeerd werd, ook al omdat er een levendige en grootschalige smokkel in wijn bestond en dus veel buiten de boeken bleef.

Frankrijk, dat al een lange geschiedenis van wijnbouw kende, werd in de 17e eeuw door de Hollanders ‘ontdekt’. In de Medoc waren Nederlanders betrokken bij de drooglegging van wat toen nog een moeras was voordat er wijngaarden werden aangelegd. Zo is Chateau La Tour de By nog gerealiseerd op de resten van Nederlandse molens. Al snel hadden de Hollanders daar in het zuidwesten van Frankrijk veel macht en invloed op de wijnproductie en -handel. En al bracht de komst van de Hollanders Bordeaux ook veel voorspoed, op een gegeven moment hadden de Fransen het daar wel gehad met die bijdehandse types. In de tussentijd was er al een drukke handelsverbinding tot stand gekomen. Naast Bordeaux was Nantes zogezegd een belangrijke havenplaats waar Nederlandse handelaren voet aan wal zetten en al snel een stevige vinger in de pap hadden. Zij bepaalden niet alleen mee hoe en waar druiven werden verbouwd, maar ook welke soorten werden geproduceerd. Het is dan ook niet toevallig dat er in de Loire veelal witte druiven werden verbouwd, gezien de Hollandse voorkeur voor witte wijn.

In Bordeaux lag in eerste instantie de focus op zoete witte wijn, helemaal naar de smaak van de meeste welgestelde Hollanders. De wijn uit Duitsland was voor velen toch wat te ‘zuur’. Wijn werd in die tijd om uiteenlopende redenen op smaak gebracht. De witte wijn die naar Nederland werd verscheept werd bijvoorbeeld vaak aangelengd met een kwart honingzoete Barsac (Sauternes). In 1683 werd er een wettelijk verbod uitgevaardigd voor dit aanlengen van wijn.

Naast Bordeaux en Loire, werd er geleidelijk aan ook wijn geïmporteerd uit andere regio’s, waaronder Bourgogne en Champagne. Een leuk weetje is dat champagne aanvankelijk geen bubbels had en een stille (bleekrode!) wijn was. Om zich te onderscheiden van buur Bourgogne stapte men over op het verbouwen van witte druiven. Uiteindelijk verscheen in 1668 de mousserende variant.

De Fransen kenden in de 17e eeuw nog geen classificatie, deze kwam voor de linkeroever in 1855. Wel werden wijnen in twee categorieën ingedeeld: vins bourgeois (stadswijnen) en vins du haut pays (hooglandse wijnen).

Clairet en de eerste zwavel
Uit Frankrijk kwam aanvankelijk goedkope, zoete witte wijn en in de loop van de 17e eeuw steeg de vraag naar rode wijn. Niet een volle zware wijn, maar een meer lichtvoetige variant. Deze wijn uit de Bordeaux kreeg de naam clairet (“claret” in het Engels). Deze wijnstijl bestaat nog steeds en doet qua uiterlijk wat aan donkere rosé denken.
De Engelsen waren lange tijd de grootste afnemer van clairet, tot begin 18e eeuw Engeland slaags raakte met Frankrijk en uit rancune overstapte op wijnen uit onder meer Portugal. De wijn uit dit land bleek echter niet bestand tegen de lange reis en daarom werd er gedistilleerde alcohol aan toegevoegd. Zo is de versterkte wijn port ontstaan. Maar dit terzijde.

In die tijd waren er verschillende factoren die het transport van wijn bemoeilijkten. Veel wijn overleefde lange zeereizen niet door onder meer slechte vaten en zeeroverij. En als het al op de plaats van bestemming aankwam, was het nog maar de vraag of het te drinken was.
De Fransen zelf waren zogezegd blij met de komst van de Hollanders. En waarom ook niet? Het betekende een enorme nieuwe afzetmarkt en bovendien hadden Nederlanders veel kennis van zaken. Zo introduceerden zij de behandeling van vaten met zwavel om wijn te beschermen tegen lange transporten. Daarnaast maakten de ontwikkeling van de kurk als wijnstopper en de glazen flessen als nieuwe manier van verpakken het mogelijk om wijnen beter over langere afstanden te vervoeren. De kwaliteit van wijn werd steeds beter en daarom was er veel aan gelegen dat wijnen goed op hun bestemming aankwamen.

Stellenbosch
Niet alleen dreven Nederlandse kooplieden handel in wijn, maar ook trokken zij zelf de wijde wereld in en settelden zich in verre oorden buiten Europa waar ze zelf wijn begonnen te produceren, waaronder Zuid-Afrika. De oorsprong van de Zuid-Afrikaanse wijnbouw ligt halverwege de 17e eeuw, toen de eerste Nederlanders en Vlamingen zich daar vestigden. Een van die figuren was Simon van der Stel die een belangrijke rol speelde bij de ontwikkeling van de wijnbouw. Hij stichtte het nog steeds bestaande wijnhuis Groot Constantia. Zijn zoon Willem Adriaan van der Stel richtte het wijnhuis Vergelegen op. Vanuit Zuid Afrika werden eind 18e eeuw druivenstokken op hun beurt meegenomen naar Australië en aangeplant in onder andere Hunter Valley en Barossa. En onder meer op deze manier breidde het mondiale wijnbouwareaal zich geleidelijk aan uit.

In de eeuwen die volgden werd wijn steeds goedkoper en daarom langzaamaan meer toegankelijk voor de “gewone mens”. Tegelijk steeg het aanbod van wijnen explosief. Wijnen komen natuurlijk al lang niet meer alleen uit Frankrijk, Duitsland, Spanje en Italië, maar uit vele landen tussen de 30e en 50e breedtegraad op het noordelijk en zuidelijk halfrond. Inmiddels zijn er ruim 40 officiële wijnlanden en dit aantal zal ongetwijfeld verder toenemen, onder meer doordat – naast de technologische vooruitgang – de grens tot waar wijnbouw mogelijk is steeds verder opschuift door de veranderde klimatologische omstandigheden. De geschiedenis van de wijnbouw en wijnhandel is een interessante en de Gouden Eeuw is hierin een belangrijke periode geweest. In de context van de klimaatverandering, Brexit en handelsoorlogen is het slechts gissen wat de toekomst gaat brengen…

Afgebeeld schilderij: De Dam met het Stadhuis, de Waag, de Nieuwe Kerk met toren en Damrak, kopie naar prent van Jacobus van der Ulft – Hart courtesy Amsterdammuseum

  • De Dam met het Stadhuis, de Waag, de Nieuwe Kerk met toren en Damrak, Amsterdammuseum