Pedro Ballesteros MW
Cariñena ontsluiert zijn terroir (1/2)
Cariñena is een wijnregio die al eeuwen bekend staat om zijn wijnen. Er is al sprake van de wijnen van Cariñena in de literatuur van de oudheid.

Koningen en intellectuelen haalden de loftrompet boven. In 1696 keurden de lokale autoriteiten nieuwe maatregelen goed om de kwaliteit en de goede naam van de wijnen van Cariñena te beschermen. Het was dan ook niet meer dan logisch dat Cariñena een van de eerste Spaanse regio’s was die een officieel beschermde herkomstbenaming kreeg. We schrijven 1932. Die bescherming of eigen appellatie had het te danken aan het karakter van zijn rode wijnen, die voornamelijk vervaardigd werden en worden op basis van de Garnacha-druif. In 1833 schrijft een passant, een Engelse wijnreiziger genaamd Cyrus Redding, die bezig was aan zijn boek ‘Geschiedenis en typering van de Moderne Wijnen’ dat Cariñena de beste wijnregio van Arragon (sic) is, waar ‘voornamelijk een druif aangeplant is die de Fransen Grenache noemen’. Enkele decennia eerder, in 1809, noemde Alexandre Laborde deze wijnen ‘exquis’ dankzij de Garnacha-druif. De Grenache wordt dus al lange tijd verbonden met de wijnregio Cariñena. Maar deze druif vonden we ook in tal van andere wijnregio’s van Aragon en Europa. Waarom werd dan telkens expliciet verwezen naar Cariñena?

De eerste reden zit in de natuur zelf van de Garnacha. Anders dan vele andere druivenrassen die een strak aromatisch profiel hebben, past de Garnache zich aan aan zijn habitat. Hij is een beetje een kameleon. In het aroma en het smaakprofiel van de wijn vinden we elementen terug die verwijzen naar bodem, klimaat en omgevingsfactoren, zoals andere vegetatie in de buurt van de wijngaard.

Om te beginnen is de Grenache of Garnacha erg gevoelig voor de bodem waarop hij groeit, en in de tweede plaats aan het (micro)klimaat. In Cariñena wordt de druif blootgesteld aan een continentaal klimaat met ruwe trekjes zoals een strenge winter en een hete, droge zomer. De stokken die jong aangeplant zijn in deze wijnregio passen zich meteen aan: ze bloeien vrij vroeg in de lente en het fruit rijpt lang aan de wijnranken, tot in de herfst. In de zomer hebben de druiven baat bij warmte en veel zon, maar om hun evenwicht en frisheid terug te vinden hebben ze nood aan een periode van relatieve koelte, net voor de pluk. De herfst met zijn frisse nachten zorgt voor die koelte. Overdreven veel regen of vocht is niet aan de druif besteed, ook niet in de lente. De strakke wind van Cariñena, die cierzo genoemd wordt, is fataal voor veel druivenrassen, maar de Garnacha houdt ervan omdat die wind alle vocht wegblaast.

Een andere kwaliteitsfactor is ‘wijnbouwkundige soberheid’. Wanneer men de Garnacha zijn gang laat gaan, dreigt ze té productief te worden: veel druiventrossen, maar verdunde wijnen. Intensieve productiemethoden, met bijvoorbeeld hoog opgebonden stokken, zijn nefast bij deze druif. Om mooie, evenwichtige wijnen voort te brengen laat men de Garnacha best laag tegen de grond groeien, in zogenaamde ‘bushvines’ zodat de takken en bladeren de druiven kunnen beschermen tegen de zonnestralen en er in het centrum van de struik een beetje koelte bewaard blijft. Deze werkwijze verhoogt echter het kostenplaatje voor de wijnbouwer omdat ze geen grootschalige mechanische bewerking toelaat. Dit soort soberheid waar geen tractoren aan te pas komen, kost de wijnbouwer heel wat aan arbeidsuren. Goede wijn is meestal ook afkomstig van oudere stokken die tijd hebben gehad om diep wortel te schieten en een mooi vol bladerdek hebben ontwikkeld. Ze brengen minder voort, maar zorgen wel voor betere druiven. Grote Garnacha komt dus zelden van jonge wijnstokken. Wijngaarden met oude wijnstokken die als lage struiken tegen de grond groeien zijn een beetje het visitekaartje geworden van Cariñena. Ze zijn de gracieuze getuigen uit het groots verleden waarop de naam en faam van de regio nog altijd rusten.

Vier bodemtypes

De appellatie Cariñena (DOP) strekt zich vandaag uit over 14 districten. Dat werd zo al vastgelegd in 1932. Maar de wijnbouwers wisten heel goed dat de wijnen van Longares sterk verschillen van deze van Tosos of Paniza, om maar deze plaatsen te noemen. Dat lag niet aan de verschillende (micro)klimaten en ook zozeer niet aan het verschil in hoogteligging van de wijngaarden, maar vooral aan de bodems.

Cariñena is in feite een hoogvlakte die in het zuidwesten begrensd wordt door een bergketen. We onderscheiden vier types bodem in de appellatie. In het zuidwesten vinden we veel leisteen in de bodem, in het noodoosten daarentegen wordt de bodem gedomineerd door kalksteen. Op de hellingen van de bergen vinden we alluviale en colluviale afzettingen van de rotsen. In het centrum van het plateau daarentegen is de bodem zwaarder met een hoog kleigehalte. Op de hellingen en in de hoogst gelegen wijngaarden waar we vaak ook oude wijnstokken staan, wordt er niet geïrrigeerd. Er bestaan vier officiële benamingen voor deze bodemtypes, ook al vinden we die haast nooit op de labels van de wijnen terug.

  • • Het meest voorkomende type bodem met kalklagen die rood of bruin kleuren, wordt cascajo genoemd.
  • • Het tweede type heet royal (niets van doen met koningen). Hij bestaat uit leisteen en geërodeerd quartsiet.
  • • Het derde type is de calar. Hoewel we ook hier voornamelijk kalksteen vinden, ligt de bodem hier bezaaid met stenen en keien.
  • • Tenslotte is er de bodem zonder naam… dit is de rijkere, diepere soort bodem in de vlakte waar we meer klei vinden en alluviaal materiaal.

Deze verschillende types van bodem hebben een duidelijke invloed op het smaakprofiel van de wijnen. De zon en de ruwheid van klimaat en omgeving vinden we in alle wijnen terug, maar het karakter en de complexiteit van de wijnen zal verschillen naargelang de ondergrond. Kalkrijke bodems leveren verticale en intense wijnen op met een grote aromatische precisie en een fijnkorrelige textuur. Bij een leisteenbodem, meestal spreken we dan over hooggelegen wijngaarden rond de stad Paniza, hebben veel body en structuur met een breed smaakregister en een open finale. Hun mineraliteit doet soms denken aan de wijnen uit Priorat(o).

De wijnen die uit een keienbodem voortkomen (calar) hebben verleidelijke aroma’s en mooie rijpe fruittoetsen met hints van braam en kers. Ze zijn ook vlezig. In het algemeen drink je deze wijnen sneller dan wijnen uit de leisteensector.

Naar een zuiverder expressie

Maar wanneer u op zoek zou gaan naar deze kenmerken in de wijnen van Cariñena, zou u weleens van een kale reis kunnen terugkomen: de meeste producenten blenden hun wijnen, niet alleen door toevoeging van andere druivenrassen, maar ook door de wijnen van de verschillende sectoren te mengen. De meesten zoeken toegankelijke wijnen te maken met body, verleidelijk fruit en een zijdeachtig mondgevoel. Dan moet je natuurlijk aan het blenden slaan. De zoektocht naar terroirexpressie is iets van recente datum, we mogen zeggen dat het een trend is die zich pas langzaam ontwikkelde vanaf het begin van de 21ste eeuw. De inwoners van Cariñena hebben het de vorige eeuw niet breed gehad en de enige manier om een normaal bestaan op te bouwen, was lid worden van een wijncoöperatieve. De hoofdbekommernis van de coöperaiteven was om ervoor te zorgen dat hun leden voldoende inkomsten hadden om het te redden. Dat kon enkel door op de markt wijnen aan te bieden tegens een erg redelijke prijs. Dankzij de inspanningen van deze coöperatieven wordt vandaag drie kwart van de productie geëxporteerd.

Nu breekt een nieuw tijdperk aan, waarin men terugkeert naar het terroir en men het karakter van de wijnen durft tonen zoals ze zijn. De belangrijkste producenten hebben intussen geïnvesteerd in installaties die microvinificaties mogelijk maken: perceel per perceel. Alleen op die manier kan het allerbeste aan de oppervlakte komen. Een goede raad: hou deze regio in het oog, ze zal u nog vaak verrassen.

Wordt vervolgd: HIER.